De cartografen achter onze kaarten
Achter elke oude kaart zit een maker: een graveur, een uitgever, een geleerde of een belastingambtenaar. Hier leest u wie zij waren, hoe hun atlassen tot stand kwamen en welke van hun kaarten wij in reproductie hebben.
Willem en Joan Blaeu
De beroemdste naam in de Nederlandse cartografie. Vader Willem leerde het vak bij de Deense sterrenkundige Tycho Brahe; zoon Joan maakte het duurste boek van de zeventiende eeuw. Van beide Blaeus hebben wij ruim 300 kaarten en stadsplattegronden in reproductie.
Georg Braun en Frans Hogenberg
Een Keulse kanunnik en een uit Antwerpen verbannen graveur maakten samen de eerste atlas van steden ter wereld: zes delen, ruim 540 stadsgezichten, 45 jaar werk. Ruim negentig van hun bladen hebben wij in reproductie.
Jacob van Deventer
De man die als eerste alle steden van de Nederlanden in kaart bracht, in opdracht van de keizer en de koning. Zijn plattegronden waren militair geheim en bleven drie eeuwen ongepubliceerd. Vijfentwintig ervan hebben wij in reproductie.
Abraham Ortelius
De Antwerpenaar die in 1570 de eerste moderne atlas maakte: alle kaarten op één formaat, in één band, met bronvermelding. Twaalf van zijn kaarten hebben wij in reproductie, van Holland tot de Grote Oceaan.
Johannes Janssonius
De schoonzoon van Hondius en de grootste concurrent van Blaeu. Janssonius bouwde vanuit Amsterdam een uitgeverij met winkels van Stockholm tot Lyon en een atlas in elf delen. Zesentwintig van zijn kaarten hebben wij in reproductie.
Jacob Kuyper
Geen zeventiende-eeuwse meester, maar een belastingambtenaar met een missie: elke Nederlandse gemeente op één kaartje, met oppervlakte en inwonertal. Tweeëndertig van zijn Twentse en andere gemeentekaarten hebben wij in reproductie.
